Het gebroken Spel

Lori James en Jace Mitchells

Lori James had één simpel plan: overleven.
Overleven in haar hectische baan als ambulanceverpleegkundige. Overleven tijdens de bruiloft van haar zus in haar kleine, bemoeizuchtige geboorteplaats. En vooral… overleven zonder haar familie’s constante pogingen om haar weer met haar ex samen te brengen.

Maar dan staat ze tijdens een goedbedoelde benefietavond oog in oog met Jace Mitchells — barman, charmeur, en de man die haar hart sneller laat slaan, al zijn ze “alleen maar vrienden”. Wanneer zijn gestoorde ex hem in het nauw drijft, grijpt Lori in. Haar redding heeft maar één voorwaarde: hij moet doen alsof hij haar vriend is tijdens de bruiloft. Eén weekend. Eén leugen.

Wat begint als een spelletje om hun omgeving voor de gek te houden, verandert langzaam in iets gevaarlijkers. Achter gesloten deuren houden ze zich aan hun eigen regel: niets gebeurt als er niemand kijkt. Maar hoe langer ze samen spelen, hoe moeilijker het wordt om het verschil te zien tussen doen alsof… en voelen wat écht is.

En als oude wonden en een jaloerse ex terugkomen om roet in het eten te gooien, moeten Lori en Jace beslissen: blijven ze schuilen achter hun regels? Of zetten ze eindelijk alles op het spel voor elkaar?

Een verhaal over familie, tweede kansen, en de liefde vinden op de plek waar je het het minst verwacht — soms is de grootste sprong niet van de kerk naar het gangpad, maar van vriendschap naar liefde.

Lori James (26)

Lori is iemand die voorspelbaar lijkt in haar routines, maar juist verrast in haar hart. Ze is kwetsbaar op een manier die haar menselijk en toegankelijk maakt, en toch onwrikbaar als het gaat om de mensen van wie ze houdt. Altijd opmerkzaam, altijd beschermend — ze ziet de kleine dingen die anderen over het hoofd zien en handelt zonder aarzeling als iemand haar nodig heeft. Haar onzelfzuchtigheid en warme aard maken haar geliefd bij iedereen die haar pad kruist. Empathisch tot in haar kern, voelt Lori met je mee alsof het haar eigen verhaal is. Ze is het soort persoon dat je niet alleen in je leven wilt hebben, maar ook niet meer kwijt wilt zodra je haar hebt leren kennen.

Jace Mitchells (30)

Jace is het levende bewijs dat charme en diepgang hand in hand kunnen gaan. Speels en lichtvoetig wanneer het kan, scherp en opmerkzaam wanneer het moet. Hij leest mensen sneller dan ze zichzelf doorhebben — een gave die hem zowel een natuurlijke vertrouwenspersoon als een gevaarlijke tease maakt. Open van geest en met een aanstekelijke glimlach weet hij iedere ruimte lichter te maken. Achter zijn charme schuilt echter een oprechte empathie: hij luistert écht, zonder oordeel, en onthoudt de details die voor anderen onbelangrijk lijken, maar voor jou alles betekenen. Jace is het type man dat je laat lachen tot je buik pijn doet, en die daarna in stilte naast je zit, simpelweg omdat hij weet dat je dat nodig hebt.

Boek 4: Het gebroken Spel

Teaser – Lori & Jace

Lori James had één simpel plan: overleven.
Overleven in haar hectische baan als ambulanceverpleegkundige. Overleven tijdens de bruiloft van haar zus in haar kleine, bemoeizuchtige geboorteplaats. En vooral… overleven zonder haar familie’s constante pogingen om haar weer met haar ex samen te brengen.

Maar dan staat ze tijdens een goedbedoelde benefietavond oog in oog met Jace Mitchells — barman, charmeur, en de man die haar hart sneller laat slaan, al zijn ze “alleen maar vrienden”. Wanneer zijn gestoorde ex hem in het nauw drijft, grijpt Lori in. Haar redding heeft maar één voorwaarde: hij moet doen alsof hij haar vriend is tijdens de bruiloft. Eén weekend. Eén leugen.

Wat begint als een spelletje om hun omgeving voor de gek te houden, verandert langzaam in iets gevaarlijkers. Achter gesloten deuren houden ze zich aan hun eigen regel: niets gebeurt als er niemand kijkt. Maar hoe langer ze samen spelen, hoe moeilijker het wordt om het verschil te zien tussen doen alsof… en voelen wat écht is.

En als oude wonden en een jaloerse ex terugkomen om roet in het eten te gooien, moeten Lori en Jace beslissen: blijven ze schuilen achter hun regels? Of zetten ze eindelijk alles op het spel voor elkaar?

Een verhaal over familie, tweede kansen, en de liefde vinden op de plek waar je het het minst verwacht — soms is de grootste sprong niet van de kerk naar het gangpad, maar van vriendschap naar liefde.

Boek 4: Het gebroken spel. 

Proloog

Proloog – Lori
Marion, South Carolina – iets meer dan twee jaar geleden

Ik had dat ijsje niet eens besteld.
Niet omdat ik het niet lustte — ik hield van ijs. Van slagroom nog meer. Maar toen ik zei dat ik het niet hoefde en David tóch de serveerster wenkte — extra slagroom, twee lepels — liet ik het maar gebeuren. Ik glimlachte, trok mijn benen onder me op de bank en vertelde mezelf dat het lief was. Dat híj lief was. Dat vriendjes zoiets deden: je iets geven en het liefde noemen.

"Zie je wel?" zei David toen ik de laatste hap nam, half lachend. "Ik zei toch dat je het op zou eten."
Ik legde de lepel neer. Mijn wangen werden warm. "Ik zei dat ik het niet wílde, niet dat ik het niet zou opeten."
Hij leunde achterover, zelfverzekerd, ruikend naar aftershave, één arm losjes over de bovenkant van de vinylzitting alsof we in een jaren ’50-film zaten.
"Dat zeg je wel vaker."
Mijn glimlach voelde opeens te strak. Ik vroeg niet wat hij bedoelde.

De lampen in het eethuis zoemden zacht. De formicatafels hadden dat doffe glansje dat ik me herinnerde van de middelbare school, net als de geur van vet die in je kleren bleef hangen. Het was de plek waar alles altijd hetzelfde leek. En soms — als zijn hand op mijn dij lag en hij lachte alsof alles goed was — was het bijna genoeg om die kleine steken van twijfel te vergeten.
Bijna.

Buiten drukte de vochtige Carolina-lucht zich tegen mijn huid. Mijn haar begon meteen te krullen, hoeveel product ik er ook in smeerde. Ik trok zacht aan de onderkant van mijn topje terwijl we richting Davids truck liepen.
En toen… veranderde het.
Eerst hield hij mijn hand vast. Het volgende moment niet meer.

Ik keek opzij. Zijn kaak stond strak, zijn ogen — blauw, scherp — op iets gericht wat ik niet kon zien.
"Heb ik iets gezegd?" vroeg ik, mijn stem klein.
Geen antwoord.
"Ik zei dat ik dat ijsje niet echt wilde," probeerde ik opnieuw, luchtig dit keer. "Jij stond erop."

We stonden stil bij zijn truck. Hij draaide zich naar me toe, langzaam, alsof hij eerst moest beslissen of ik zijn aandacht nog verdiende.
"Je wilde het niet," zei hij. "Maar je had er geen moeite mee om het op te eten."
Ik knipperde. Alsof zijn woorden ergens anders voor bedoeld waren.
"Wat?"

Hij zuchtte. "Ik zeg het alleen maar, Lori. Je zegt dat je gezonder wilt leven, je goed over jezelf wilt voelen, en dan eet je alsof…"
Hij aarzelde.
Toen keek hij me aan. Koud.
"Alsof je een varken bent."

De lucht verdween uit mijn longen. Alles kromp tot het bonzen in mijn keel en de warmte in mijn wangen die nu brandde.
Hij schudde zijn hoofd, opende het portier.
"Kijk me niet zo aan. Ik probeer je alleen maar te helpen."

Helpen. Juist.

Ik stapte in zonder iets te zeggen. In het autoraam keek een vervormde versie van mezelf terug — lippen op elkaar geklemd, buik nog vol, en dat zware, ongemakkelijke gevoel diep in mijn borst.
Ik zei tegen mezelf dat het gewoon een slechte avond was.
Dat hij het niet zo bedoelde.
Dat ik nee had moeten zeggen tegen dat ijsje.

Maar ergens, heel ver weg, hoorde ik iets knappen.
Iets zachts. Iets hoopvols.
Iets dat dacht dat ik genoeg was.

En vanaf dat moment, wat ik ook droeg, hoe hard ik ook lachte, hoe erg ik mijn best ook deed… die ene stem is altijd gebleven.
De stem die me een varken noemde.

Hoofdstuk 1

Hoofdstuk 1 - Lori

"Heb je serieus havermout-rozijnenkoekjes meegenomen naar pokeravond?"

Met één opgetrokken wenkbrauw tikte ik tegen het treurige hoopje in het midden van de tafel.

Marshall haalde zijn schouders op, zoals alleen hij dat kon — achteloos, zonder één spoortje schaamte. "Ze waren twee-voor-de-prijs-van-één. Je mag blij zijn dat ik überhaupt iets heb meegenomen."

"Ik had liever spijt gehad."

Gelach golfde door de lounge van post 7, waar een halve kring brandweermannen en ambulancemedewerkers lag verspreid over banken en stoelen. Het was bijna het einde van een lange maar opvallend rustige avonddienst. Iemand had zijn laarzen uitgeschopt. De televisie stond op een natuurprogramma, maar niemand keek.

Het rook er naar opgewarmde burrito’s, ontsmettingsmiddel en sportsokken — een rare mix die ik inmiddels was gaan associëren met huiselijkheid.

Ben, mijn vaste partner, leunde iets naar me toe. "Je hebt niks," zei hij, schaamteloos in mijn kaarten glurend.

"Ik heb potentie," zei ik droog, terwijl ik zijn hand wegduwde.

"Klinkt als je liefdesleven," grijnsde Marshall vanaf de overkant. Zijn ogen glommen op dat irritant zelfverzekerde manier.

Ik gooide een servet naar hem. "Zegt de man wiens date van vorige week dacht dat ‘slangoperator’ een seksuele metafoor was."

"Ze zat er niet helemaal naast."

"Bah." Iemand achter me mopperde. Ik draaide me niet eens om.

Ben schudde langzaam de kaarten. "Twintig minuten tot de wissel?"

"Als onze vervangers ooit komen opdagen," mompelde ik. "Maar dat doen ze natuurlijk niet. Omdat het universum een gevoel voor humor heeft."

"Zeg dat niet," waarschuwde Marshall. "Je jinx’t het."

En toen gebeurde het.

De sirene scheurde door de ruimte, hard en schel, en brak het gelach in één klap af.

Stoelen schoven achteruit, kaarten bleven op tafel liggen. Iedereen bewoog tegelijk, nog voor de stem door de luidspreker kraakte:

“Gebouwbrand. Gemeenschapscentrum aan Marion Avenue. Zware rook. Actieve vlammen. Mogelijk mensen binnen. Alle eenheden ter plaatse.”

Mijn laarzen raakten de vloer. Handschoenen aan. Uitrusting over mijn schouder. Het lichaam schakelde automatisch naar standje actie. Alles van daarvoor — de koekjes, de grappen — loste op als rook.

"Dubbele dienst dan maar," riep Ben terwijl we naar de garage renden.

"Alwéér," mompelde ik, terwijl ik in de ambulance sprong.

Het gemeenschapscentrum leek op afstand nog een gebouw. Van dichtbij was het een nachtmerrie.

Vlammen likten aan het dak. Zwarte rook steeg op in zware wolken. Aan de zijkant blakerde een muurschildering weg — zonnebloemen, kinderen, een regenboog — langzaam opgeslokt door vuur.

Ik was uit de ambulance nog voor we stilstonden. Slangen werden uitgerold, bevelen geroepen, maskers vastgezet. De chaos had een ritme, en dat ritme kende ik. Adem in. Bewegen.

Brandweercommandant Tyler Nash stond vooraan, kalm te midden van de storm. Hij ving mijn blik en knikte — kort, alsof er in dat ene gebaar al genoeg gezegd werd.

"Wolfe! McDonald! Met mij!" riep hij, en Marshall verdween met een rookie het vuur in.

Ben en ik waren net bezig met de triagezone toen een man op ons af kwam — ogen wijd opengesperd, gezicht onder het roet.

"Er zijn nog mensen binnen," hijgde hij. "Twee vrijwilligers… ze waren in de keuken. Ik denk dat ze terug zijn gegaan om iets te halen."

Ik greep zijn schouders. "Waar heb je ze voor het laatst gezien?"

"Oostvleugel, bij de opslagruimte. Ik zei dat ze moesten gaan, maar—"

"Blijf hier. Blijf ademen," zei ik. Mijn hart sloeg op het ritme van de sirene in mijn hoofd.

De volgende dertig minuten waren rook, stemmen door maskers, schaduwen in vlammenlicht.

Eén man werd naar buiten gedragen, bewusteloos, zijn arm verbrand en dicht tegen zijn borst gedrukt. We stabiliseerden hem op het asfalt. Kort daarna kwam Marshall — een vrouw in zijn armen, roet op haar gezicht, maar levend. Zijn ogen achter het masker waren strak, zijn kaak gespannen.

De buurt verzamelde zich achter het lint. Bleke gezichten. Handen voor monden. Vaders, moeders, kinderen. Mensen die hier kwamen voor verjaardagen, bijeenkomsten, hulp. Het soort plek waar je niet over nadacht… tot het er niet meer was.

Toen het vuur onder controle was, kleefde mijn shirt aan mijn rug. Mijn longen prikten, ondanks het masker. Mijn handen trilden.

Marshall kwam naast me lopen, een brandslang achter zich aanslepend. Zijn stem was hees. "Herinner me eraan dat ik nooit meer mag klagen over rustige diensten."

"Jij en je koekjes hebben ons vervloekt."

Hij grijnsde zwak. "Volledig de moeite waard."

Zijn blik gleed langs me heen, plots scherper. "Hé — waar is die brunette die ik naar je bracht? Uit het appartement boven?"

"Bedoel je die je uit de gang droeg?"

"Ja. Eden Dixon. Ze zei dat ze boven het centrum woonde."

Ik dacht aan haar — jonge vrouw, roet in haar haar, verbrande vingers. Ze had naar haar schetsboeken gevraagd, alsof dat het enige was dat haar nog overeind hield.

"Ze is naar Lennox Hill gebracht," zei ik. "Bij bewustzijn, maar zwak."

Marshall knikte langzaam. "Goed zo."

"Familie?" vroeg ik.

"Nee." Hij keek naar het zwarte karkas van het gebouw alsof hij daar meer zag dan wij. "Mijn toekomstige vrouw."

Ik staarde hem aan. "Serieus?"

"Nee," zei hij, en liep rustig weg.

Ik keek hem na, nog steeds niet zeker of hij een grap maakte of iets heel anders bedoelde.

"...Oké dan," mompelde ik. "Iemand heeft vanavond iets te veel rook ingeademd."

Hoofdstuk 2

Hoofdstuk 2 – Lori 

Het vuur was uit, de gewonden geteld, de sirenes stil.

Maar ergens in mij brandde het nog steeds.

Het buurthuis was weg. In as. Muren ingezakt, stukken dak verdwenen in de rook. De geur van verbrand hout zat in mijn haar, in mijn kleren, in mijn huid. Een uur later, toen de laatste ambulance vertrok en de brandweer begon op te ruimen, mocht ik eindelijk gaan.

Ik gaf mijn rapport door, trok mijn jack uit en liep naar buiten. Niet echt met een bestemming, meer in de richting van rust.

Langs Marble.

Het bord “open” hing scheef in het raam, alsof het al te moe was om nog recht te blijven. Binnen zaten drie klanten, ieder op hun eigen eilandje aan de bar.

Jace stond achter de toog, armen losjes op het hout. Hij keek op toen de deurbel rinkelde.

“Lori?”

Ik knikte. “Je bent open.”

Zijn glimlach was scheef, warm. “Voor jou altijd.”

Hij keek zoals alleen hij dat deed — alsof ik iets bijzonders was zonder dat ik daar iets voor hoefde te doen.

“Je ziet eruit alsof je koffie nodig hebt,” zei hij. “Of een knuffel. Of allebei.”

“Cola,” zei ik. “Je weet dat ik geen koffie drink.”

Hij grijnsde. “Soms vergeet ik dat jij zo’n afwijking hebt.”

Hij bukte, haalde een fles uit de koelkast en zette die voor me neer. Zelf schonk hij koffie in, ging tegenover me staan, handen om de mok.

“Wat is er gebeurd?” Zijn stem was zacht, maar raakte precies waar het moest.

“Brand. Het gemeenschapscentrum.”

Hij verstijfde. “Ingestort?”

Ik knikte. “Alles weg.”

“Verdomme.” Zijn hoofd ging langzaam heen en weer. “Dat is… rot.”

“Ja.” Ik nam een slok, het koude prikken van de cola een welkom contrast met de hitte in mijn borst.

“Veel gewonden?”

“Een paar. Twee mensen moesten eruit gehaald worden. Op tijd, gelukkig.”

Hij zei niets. Hoefde ook niet.

Jace was geen man van lege woorden. Hij luisterde. Echt. En soms was dat genoeg.

Ik keek naar hem terwijl hij zijn koffie dronk. Sinds ik hem kende, was hij altijd hetzelfde gebleven: een constante, een soort thuiskomen vol sarcasme, barmhartigheid en glimlachen die gevaarlijk veel leken op zonlicht.

Hij was licht.
En ik? Ik was gewend aan schaduw.

“Lori?”

Ik keek op. Zijn voorhoofd was licht gefronst. “Gaat het?”

“Ik weet het niet. Het is gewoon… zonde. Het was een plek voor iedereen. Nu is het alleen nog—” ik haalde mijn schouders op “—weg.”

Hij boog iets naar voren. “Blijf nog even. Het is laat. Geen reden om alleen naar huis te gaan.”

“Ik red me wel.”

“Nee.” Zijn hoofdschudden was traag maar vast. “Of ik loop met je mee, of je slaapt op de bank achterin. Alleen laat ik je niet gaan.”

Ik zuchtte, rolde mijn ogen — zonder echte overtuiging. “Je bent onmogelijk.”

“Klopt,” zei hij, terwijl hij nog een cola pakte. Hij schoof het glas naar me toe; onze handen raakten elkaar even. Warmte. Echt.

“Dat is mijn meisje,” zei hij, zacht maar met een knipoog.

Mijn hart sloeg een halve tel over. Grapje, natuurlijk. Toch?

Ik glimlachte terug. “Je bent een idioot.”

“Een idioot met goede drankjes en slechte timing,” zei hij. “Maar ik zit hier. En jij ook. Dus zo slecht kan het niet zijn.”

De lichten in Marble waren zacht, bijna dromerig. Even was het stil — niet leeg stil, maar veilig stil.

Misschien kon ik nog even blijven. Misschien kon ik doen alsof het allemaal niet zo ingewikkeld hoefde te zijn.

Gewoon hij. En ik. En een glas koude cola.

We hebben je toestemming nodig om de vertalingen te laden

Om de inhoud van de website te vertalen gebruiken we een externe dienstverlener, die mogelijk gegevens over je activiteiten verzamelt. Lees het privacybeleid van de dienst en accepteer dit, om de vertalingen te bekijken.