De gebroken Vlammen
Eden Dixon en Marshall Wolfe
Eden Dixon dacht dat ze wist wat opnieuw beginnen betekende. Na een relatie die langzaam van charmant naar verstikkend was gegaan, verliet ze alles en bouwde ze in New York een nieuw leven op. Ze werkte, studeerde en hield haar verleden op veilige afstand — tot de nacht van de brand.
Boven het buurthuis waar ze woonde, stond haar appartement plots in lichterlaaie. Terwijl de meeste mensen naar buiten renden, ging Eden terug. Ze vond Ashley, het meisje van haar buurvrouw, verstopt onder een bed. In de chaos en rook kwam ze oog in oog te staan met Marshall Wolfe — brandweerman, vastberaden, en de man die haar veilig naar beneden bracht.
Wat een toevallige ontmoeting had kunnen blijven, groeide uit tot iets anders. Marshall’s rust en vastberadenheid botsten met Eden’s onafhankelijke, soms wantrouwige aard. Toch bleef hij opduiken. In Marble Brewery, waar Eden weer ging werken. Buiten de universiteit, als hij merkte dat er iets mis was. In kleine momenten, tot ze hem toeliet.
Maar Eden’s verleden liet zich niet zomaar uitwissen. Reuben, haar ex, bleef opduiken — in sms’jes, in straten, op plaatsen waar hij niet hoorde te zijn. Zijn spel was geen openlijke dreiging, maar constante aanwezigheid. Marshall, gewend om in branden te rennen, moest leren een ander soort vuur te bevechten: eentje dat Eden van binnenuit verteerde.
Hun band groeide tussen gewone dagen en geladen nachten. Pizza op de bank en Paw Patrol als veilige achtergrond. Gesprekken waarin Eden stukje bij beetje vertelde wat ze had meegemaakt. Marshall, die luisterde zonder oordeel, gaf haar ruimte zonder afstand te nemen.







Eden Dixon (24)
Eden is het soort vrouw dat een kamer vult nog voordat ze iets zegt. Met haar natuurlijke charme en scherpe tong weet ze moeiteloos mensen voor zich te winnen — of tegen zich in het harnas te jagen. Achter haar zelfverzekerde glimlach schuilt iemand die loyaal tot op het bot is, intelligent en altijd bereid zich volledig te geven voor wat (of wie) haar echt raakt. Ze is een meester in improviseren, soms chaotisch tot op het komische af, en haar speelse plagerijen en ongeremde eerlijkheid maken haar onmogelijk te negeren. Maar wie voorbij de grote mond kijkt, ziet een vrouw die heeft leren overleven, en die ondanks alles haar vuur weigert te doven.

Marshall Wolfe (32)
Marshall leeft op het snijvlak van controle en roekeloosheid — een brandweerman met een onverwoestbaar plichtsgevoel en een hart dat altijd een beetje te groot is voor zijn eigen bestwil. Hij draagt zijn hero complex met een glimlach, maar achter dat instinct om iedereen te redden, schuilt een man die net zo goed luistert als handelt. Warm, begripvol en verrassend geduldig, is Marshall het anker in de storm voor de mensen om hem heen. Hij gelooft in orde, maar weet wanneer regels gebogen moeten worden. En als hij eenmaal besluit dat iemand het waard is om voor te vechten, laat hij nooit meer los.

Boek 5: De gebroken Vlammen
Eden Dixon weet hoe het voelt om bekeken te worden.
Niet het vluchtige soort blik van een vreemde op straat, maar de constante druk van ogen die je volgt.
Altijd.
Overal.
Na een relatie die begon met charmante gebaren en eindigde in een onzichtbare greep, heeft Eden geleerd om klein te bewegen en grote emoties te verbergen. Haar leven is een reeks strategische keuzes geworden — altijd de nooduitgang in beeld, altijd één stap verwijderd van weggaan.
Tot de brand.
Op een winteravond staat Eden’s appartement boven het buurthuis in lichterlaaie. Rook vult de gang, hitte kruipt langs haar huid, en terwijl het paniek wordt of handelen, kiest ze voor het laatste: teruggaan om een kind te redden.
Op de brandtrap kruist ze het pad van Marshall Wolfe.
Marshall is brandweerman. Groot. Direct. Roekeloos op een manier die alleen mensen kunnen zijn die weten hoe het is om levens in handen te houden. Maar het is niet alleen zijn uniform dat Eden bijblijft — het is de manier waarop hij haar aankijkt. Niet als iemand die gered moet worden, maar als iemand die zelf door vuur loopt.
Vanaf dat moment kruisen hun werelden steeds vaker.
In Marble Brewery, de bar waar Eden soms werkt, ziet Marshall de vrouw achter de scherpe grappen en zelfverzekerde houding. Hij merkt hoe haar ogen altijd scannen, hoe haar schouders net iets te gespannen blijven. Hij stelt geen vragen, maar biedt wel iets wat ze al jaren mist: een plek waar ze kan ademen zonder dat het opvalt.
Maar er is één probleem: Reuben.
De man uit haar verleden is nooit helemaal verdwenen.
De gebroken Vlammen
Proloog
Proloog – Marshall
Dertien jaar geleden
De doedelzakken begonnen.
Laag. Zwaar.
Het geluid trok door me heen voordat ik iets anders zag. Nog voor de gepoetste laarzen in strakke rijen. Nog voor de glans van een verchroomde helm, roerloos op een gevouwen vlag.
Ik stond recht, mijn enige zwarte pak strak om mijn schouders. Kaak vast. Twintig jaar oud. Net geen jongen meer, maar nog lang geen man. Mijn moeder hield zich aan mij vast alsof ik de laatste balk in een brandend huis was.
Ze noemden zijn naam langzaam.
Kapitein Wesley Wolfe.
Zevenentwintig jaar in dienst.
Gestorven als held.
Dat laatste bleef hangen.
Ze zeiden niet dat hij levend verbrandde terwijl hij een nieuwe rekruut probeerde te redden — die het uiteindelijk niet haalde.
Ze zeiden niet dat ik hem had gevraagd die dienst over te slaan. Dat ik hem die avond zijn laarzen zag strikken, mijn moeder een kus geven, en de deur uit zag lopen.
Ze zeiden niet dat ik hem niet meer had verteld dat ik van hem hield.
Heldenkroon, noemden ze het.
Voor mij voelde het als een ketting.
Ik bewoog niet toen taps klonk.
Ik knipperde niet toen ze de vlag aan mijn moeder gaven.
Maar toen ik naar de kist liep en zijn helm zag — randen gesmolten, vizier vervormd — voelde ik mijn knieën buigen.
Bijna.
Iemand moest blijven staan.
Later zouden mensen me roekeloos noemen. Moedig. De man die zonder aarzelen een brand inloopt.
Wat ze niet weten, is dat ik nog steeds naar dat ene gebouw ren. In de hoop dat ik hem dit keer mee naar buiten krijg.
Maar dat zeg je niet.
Je zegt niets.
Je strikt je laarzen.
En loopt het vuur in.
Hoofstuk 1
Hoofdstuk 1 – Eden
Ik scrolde gedachteloos door mijn telefoon. Niet echt op zoek naar liefde, eerder naar… afleiding. Iets om over te lachen. Een slechte date, een ongemakkelijke stilte, een verhaal dat je alleen aan je beste vriendin vertelt — als je die nog had.
De gin-tonic was lauw en te duur. De bar was gevuld met mensen die deden alsof ze niet alleen waren. Ik geloofde ze niet.
Tinder. Het digitale equivalent van een vleeskeuring. Filters. Hashtags. Lege biografieën die allemaal “avontuurlijk, maar ook serieus” riepen. Liefde? Nee. Ik wilde gewoon iets dat de verveling brak. Maar dat vertelde ik niemand. Al helemaal niet meer sinds Reuben.
Mijn duim stopte halverwege een veeg.
Marshall Wolfe.
Natuurlijk heette hij zo. Alsof hij rechtstreeks uit een actiefilm was geplukt, compleet met heroïsche soundtrack. Foto: brede schouders, felblauwe ogen, een grijns die je of zenuwachtig maakt of domme keuzes laat maken. En ja hoor — brandweerman. Het soort man dat zegt: “Ik regel dit wel” voordat hij zichzelf vrijwillig in de fik steekt.
Niet mijn type.
Te knap. Te zeker.
Te gevaarlijk voor alles wat ik heel hard bij elkaar heb geraapt.
Ik veegde zonder nadenken naar links.
‘Auw. Je was er snel bij.’
Ik verstijfde.
Dat kwam niet van mijn scherm.
Het kwam van rechts.
Laag. Rustig. Te echt.
Langzaam draaide ik mijn hoofd.
Daar zat hij. Marshall Wolfe, in het wild. De man die ik net had weggeveegd, nu live in 3D, in een versleten leren jas die eruitzag alsof hij erin geboren was.
‘Pardon?’ vroeg ik, knipperend alsof ik mezelf opnieuw moest opstarten.
Hij kantelde zijn hoofd, licht geamuseerd. ‘Live en ongematcht. Marshall Wolfe. Aangenaam.’
Hij stak zijn hand uit. Serieus. Alsof dit niet de vreemdste ontmoeting ooit was.
Ik nam zijn hand. Stevig. Warm. Ruw.
Verdomme.
‘Eden Dixon,’ zei ik, met mijn beste ik-ben-geïmponeerd glimlach. ‘En ja, ik ben niet geïnteresseerd.’
Zijn ogen glinsterden. ‘Duidelijk. Maar je weet wat ze zeggen over eerste indrukken.’
‘Dat ze meestal pijnlijk accuraat zijn?’ kaatste ik terug.
Hij lachte. Echte lach, warm en laag. Niet gemaakt. Niet veilig.
‘Toeval, beloof ik. Maar je had perfecte timing. Alsof het script het zo wilde.’
‘Je lijkt me niet het type voor een Rom-com,’ mompelde ik.
‘Je zou verbaasd zijn,’ zei hij, en keek mijn recht aan over de rand van zijn glas. ‘Ik heb zelfs een tragisch achtergrondverhaal.’
‘Tragisch én overmoedig. Mijn favoriet.’
‘Ik neem geen genoegen met nee.’ Hij zei het alsof het charmant was, niet als een rode vlag.
Ik trok mijn wenkbrauw op. ‘Je bent écht dat type.’
‘Welk type is dat?’
‘Het type dat denkt dat hij onschadelijk is omdat hij lacht.’
Hij nam een slok, ogen nog steeds op mij gericht. ‘En jij bent het type dat doet alsof ze onkwetsbaar is omdat ze niemand vertrouwt.’
Au.
Mijn gezicht bleef neutraal. Mijn hart niet.
De stilte die volgde was… warm. Te warm. Ik verschoof op mijn barkruk. Te bewust van hoe dicht hij zat. Te echt. Te veel.
‘Dus, Eden Dixon,’ zei hij, ‘wat is jouw verhaal?’
‘Niet eentje die jij gaat horen.’
‘Je zegt nog steeds geen ja.’
‘Omdat het nog steeds nee is.’
Hij leunde iets dichterbij. ‘Waarom zit je dan nog steeds hier?’
Touché.
Ik pakte mijn tas, schoof mijn glas opzij. ‘Ik heb dingen te doen. Dit was… verhelderend.’
Ik draaide me om. Liep weg.
‘Tot ziens, Eden Dixon!’ riep hij me na. ‘Ik ben die ene die geen genoegen neemt met nee!’
Ik keek niet om.
Maar buiten, in de frisse avondlucht, bonkte mijn hart. Niet van angst. Van iets veel gevaarlijker.
Nieuwsgierigheid.
Marshall Wolfe was precies het soort man dat je semester, je nachtrust en je zorgvuldig opgetrokken muur kan verpesten.
En diep vanbinnen wist ik al: dit was niet het einde.
Dit was het begin van de afleiding die ik me absoluut niet kon veroorloven.
Hoofdstuk 2
Hoofdstuk 2 - Eden
Drie dagen hield ik vol zonder aan hem te denken.
Oké—gelogen.
Sinds ik die bar uitliep, dacht ik minstens een dozijn keer per dag aan Marshall Wolfe. En elke keer werd het beeld irritant gedetailleerd: die grijns die net te veel wist, zijn hand rond de mijne, dat belachelijke gemak waarmee hij charmant én arrogant kon zijn zonder onderuit te gaan over zijn eigen ego.
Mannen zoals hij waren gevaarlijk.
En ik was allergisch voor gevaar.
Wat waarschijnlijk verklaart waarom ik op een woensdagavond weer in Marble stond. Niet om hem te zien—serieus, doe normaal.
Ik wilde gewoon… normaal. Gin. Jace. Een plek waar de stoelen kraakten, de glazen net niet glommen en niemand iets van je wilde tenzij je het zelf aanbood. Een plek die Reuben ooit bijna voor me had verpest, maar niet helemaal.
De deur gaf dat bekende kreungeluid toen ik hem openduwde. Binnen was het rustig: een paar vaste gezichten, lage muziek, de geur van citroen en schoonmaakmiddel.
Jace Mitchells stond achter de bar. Groot, getatoeëerd, onverstoorbaar. Poetste een glas alsof hij daar voor de eeuwigheid stond.
‘Eden,’ zei hij, zonder op te kijken, maar toch zijn hand opstekend.
‘Hé,’ antwoordde ik, terwijl ik op mijn vaste kruk plofte. ‘Vertel me dat je gin hebt.’
‘Voor jou? Altijd,’ zei hij, terwijl hij de fles pakte. ‘Ik dacht dat jij tegenwoordig te druk was met de wereld redden met moleculen.’
‘Ik red mezelf van een mentale instorting,’ mompelde ik. ‘Dat is al ingewikkeld genoeg.’
Jace trok een wenkbrauw op, maar drong niet aan. Slimme man.
‘Gaat het?’ vroeg hij toch. De grote-broer-modus staat bij hem permanent aan.
‘Ja.’
Leugen.
Alsof ik zou zeggen: Mijn ex duikt overal op in mijn hoofd, ik slaap alleen als ik de sloten dubbelcheck, en er is een brandweerman in mijn systeem gekropen zonder toestemming.
Hij schoof mijn glas naar me toe en keek me even aan.
‘Je kunt nog steeds goed liegen,’ zei hij.
‘Beter dan huilen boven je ijsmachine.’
Hij grijnsde. ‘Touché.’
Ik nam een slok. De gin brandde vertrouwd. Pijnlijk, maar beheersbaar. Een soort herinnering aan dat ik nog steeds kon ademen.
Op het scherm boven de bar knipperde een nieuwsitem. Brand up Town. Zwaailichten. Rook. Uniformen.
En daar—tussen flikkerend licht en rook—een silhouet. Niet scherp. Maar ik wist het meteen.
De schouders. De houding.
Alsof mijn huid hem herkende vóór mijn hoofd dat deed.
Ik keek weg.
En precies toen ging de deur open.
Ik hoefde me niet om te draaien om te weten wie het was.
Je voelt sommige mensen. Zoals je een brand voelt voordat je het vuur ziet.
Jace boog zich iets naar me toe. ‘Ziet eruit alsof je een bewonderaar hebt.’
‘Zoiets.’
‘Zoiets als hoe een wasbeer de vuilnisbak kent?’
‘Meer als hoe een mot weet dat hij gaat verbranden.’
Achter me klonk een stem. Zacht. Geamuseerd.
‘Wauw. Poëtisch.’
Ik draaide me langzaam om. Voorbereid.
Marshall Wolfe stond daar alsof hij de eigenaar was. Zwarte polo, donkere jeans, haar nog vochtig van het douchen. Ogen te warm. Houding te zeker.
‘Kijk eens aan,’ zei hij, terwijl hij op de kruk naast me ging zitten. ‘De ongrijpbare Eden Dixon. Wat toevallig om jou hier te zien.’
‘Het is een vrije stad,’ zei ik. ‘En ik was er eerst.’
‘Ik stalk je niet,’ zei hij, handen omhoog. ‘Ik heb gewoon dorst.’
‘Natuurlijk.’
Hij bestelde een whisky, zijn blik geen seconde bij me vandaan.
Jace voelde de lucht veranderen en koos eieren voor zijn geld.
‘Ik wist niet dat jij hier vaste klant was,’ zei ik, zonder hem aan te kijken.
‘Ben ik niet. Misschien word ik het wel.’
‘Wat een geluk voor mij.’
Zijn grijns werd alleen maar erger. ‘Ben je altijd zo hartelijk?’
‘Alleen als ik in het nauw zit.’
Hij lachte. Warm. Laag. Te dichtbij in mijn hoofd. En tegen mijn wil trok er een minieme glimlach over mijn gezicht.
‘Je bent niet mijn type,’ flapte ik eruit.
‘Mooi,’ zei hij, glas in de lucht. ‘Jij de mijne ook niet.’
Ik trok mijn wenkbrauw op.
Hij haalde zijn schouders op. ‘Ik val op stille types.’
‘Leugenaar.’
Hij boog iets dichterbij. ‘Misschien. Maar ik vind je leuk, Eden. En dat weet je.’
Mijn hart deed dat irritante slag overslaan-ding. Niet angst.
Iets anders.
Iets dat misschien nog gevaarlijker was.
Ik draaide me weer naar de tv, alsof dat mijn zenuwen zou negeren. Alsof mijn lijf hem niet voelde, tot in mijn vingertoppen.
‘Dus,’ zei hij luchtig, ‘één avond?’
Ik draaide mijn hoofd langzaam naar hem. ‘Sorry, wat?’
‘Eén avond. Geen verwachtingen. Gewoon pizza. Jij kiest de toppings. Ik doe alsof ik ananas oké vind.’
Ik keek hem aan alsof hij gek was. Hij keek terug, rustig. Niet pushend. Gewoon aanwezig.
‘Luister,’ zei hij. ‘Ik weet dat jij niks zoekt. Ik ook niet. Maar ik praat graag met je. Ik vind het leuk om je een beetje gek te maken. En ik denk dat we een leuke avond zouden hebben. Meer niet.’
Eén avond.
Geen verwachtingen.
Allemaal woorden waar ik niet in geloof.
En toch… iets in zijn blik — warm, eerlijk, net iets te doorgrondend — brak een haarscheur in de muur waar ik al zo lang aan timmerde.
‘Oké,’ zei ik langzaam. ‘Eén date. Ik kies de pizzeria.’
Zijn glimlach was tegelijk triomfantelijk en echt.
Hij stak zijn hand uit. ‘Deal.’
Ik nam hem aan. Warm. Eeltig. En deze keer deed ik niet alsof ik het niet voelde.
‘Vrijdagavond,’ zei hij. ‘Ik haal je op.’
Ik kneep mijn ogen samen. ‘Je weet niet eens waar ik woon.’
Zijn ogen fonkelden. ‘Nog niet.’