De gebroken Stilte
Paddy Meason en Conor Kingsley
Eén stilstaande lift. Eén onverwachte vonk. Eén kus die alles verandert.
Conor Kingsley dacht dat zijn terugkeer naar New York vooral zou draaien om werk. Als vervanger van zijn schoonzus Ruby bij Lucent Corp staat hij klaar om de leiding te nemen over de game-afdeling. Maar tijdens een stroomstoring komt hij vast te zitten in de lift met Paddy Meason—een vrouw die hij nog nooit eerder heeft ontmoet, maar die hem in luttele minuten uit zijn evenwicht brengt.
Voor Paddy is de situatie veel meer dan ongemakkelijk. Sinds het tragische verlies van haar tweelingzus, waarbij zij achterbleef met de zorg voor haar driejarige neefje, kampt ze met claustrofobie. Maar in de donkere, benauwde lift vindt ze onverwachte houvast in Conor’s rustige stem… en in een kus die haar wereld even helemaal stilzet.
Wat begint als een toevallige ontmoeting groeit uit tot iets dat geen van hen had zien aankomen. Tussen deadlines, nieuwe verantwoordelijkheden en oude wonden ontdekken ze dat de grootste uitdagingen soms niet op het werk liggen, maar in het toelaten van iemand in je hart.
Want soms is liefde niet gepland. Soms zit ze gewoon met je vast… in een lift.







Patricia ‘Paddy’ Meason (25)
is het hart van de groep—gevoelig en betrouwbaar, iemand op wie je altijd kunt rekenen, zelfs als ze zelf twijfelt aan haar eigen kunnen. Haar zelfkritiek houdt haar scherp, maar het is ook de drijvende kracht achter haar voortdurende streven om beter te worden.

Conor Kingsley (25)
is iemand die van nature de leiding neemt, zonder daar ooit om te vragen. Zijn charisma en doelgerichte houding trekken mensen aan, terwijl zijn gevoel voor plicht hem zowel betrouwbaar als gerespecteerd maakt. Conor combineert realisme met een dynamische energie—hij ziet de wereld zoals die is, maar gelooft in het bouwen aan iets beters.
Proloog
Paddy POV
Proloog – Paddy
(Twee jaar geleden)
Mijn telefoon ging om 21:14.
Dat is geen tijd waarop iemand belt om je blij te maken.
Te laat voor iets normaals.
Te vroeg voor een nachtmerrie.
Maar het werd een nachtmerrie.
“Mevrouw Meason? U staat als ICE-contact voor Georgina Meason. Ze is betrokken geweest bij een verkeersongeval. U moet naar het ziekenhuis komen.”
Ik hoorde mezelf “oké” zeggen.
Mijn handen deden de rest: jas, schoenen, taxi.
Mijn hart bleef ergens achter.
Het ziekenhuis lichtte alsof het middag was. Fel. Hard. Onbarmhartig.
Een verpleegkundige riep meteen mijn naam en liep voor me uit, te snel voor hoe traag mijn gedachten gingen.
“We brengen u direct naar haar.”
Toen de deur openzwaaide, bleef ik staan.
Georgina.
Bleek.
Slangen.
Monitors die boos leken te piepen.
Te weinig beweging voor iemand die altijd te veel had.
Maar mijn blik gleed weg van haar.
Naar rechts.
Naar Shane.
Een klein ziekenhuisbedje stond ín dezelfde kamer, vlak naast dat van Georgina — alsof ze zelfs nu weigerden gescheiden te worden.
Voor hem lag een pluchen dino. Het soort dat piept als je erop slaat.
Hij sloeg erop.
Piep.
Een kleine lach.
Nog een tik.
Het weggooien.
Omkijken waar het bleef.
Piep.
Volledig onwetend.
Volledig onschuldig.
Een pleister op zijn wenkbrauw.
Een blauwe plek op zijn knie.
Maar verder… helemaal heel.
Levend.
Spelend.
Toen hij me zag, stopte hij met bewegen. Zijn hoofd zakte iets schuin — dat nieuwsgierige, onderzoekende peuterblikje.
Ik hurkte neer.
“Heey, kleintje…”
Hij staarde één seconde, liet de dino vallen en kroop naar me toe.
Wankelend. Traag.
Handje op de vloer, sok half uit, mond half open.
Hij trok aan mijn broekspijp en maakte een zacht geluidje — iets tussen een piep en een vraag.
Hij wist niet eens wie ik was.
Alleen dat ik niet eng was.
Warm.
Menselijk.
Ik tilde hem op.
Hij rook naar babyshampoo, ziekenhuislucht en tranen.
Zijn kleine armpjes sloten zich om mijn nek met de reflex van een kind dat veiligheid zoekt.
Hij drukte de dino tegen mijn schouder.
Piep.
De arts kwam binnen.
“Uw zus ligt in coma. U bent haar enige naaste familie. Alle beslissingen vallen nu bij u.”
Mijn adem stokte.
Mijn blik schoot naar Georgina — en terug naar Shane, die zacht tegen mijn hals babbelde, onbegrijpelijk en hartverscheurend tegelijk.
Hij tikte weer met de dino op mijn schouder.
Piep.
Alsof hij me troostte.
Of wanhopig vroeg om iets waarvan ik nog niet wist hoe ik het moest geven.
En daar gebeurde het.
Geen bliksem.
Geen groot dramatisch moment.
Gewoon… weten.
Een verschuiving.
Een keuze die zichzelf maakte.
Hij werd van mij.
Of ik er klaar voor was of niet.
Ik drukte mijn lippen tegen zijn kruin en fluisterde:
“Het is goed. Ik ben er.”
Voor hem.
Voor haar.
Voor alles wat zou komen.
En ik wist het.
Ik laat hem nooit meer los.
Hoofdstuk 1
Paddy POV
Shane wordt wakker vlak vóór mijn wekker. Dat doet hij meestal op vrijdagen. Alsof hij ergens diep vanbinnen weet dat het bijna weekend is, ook al kan hij dat woord nog niet eens uitspreken. Eerst hoor ik zacht geschuifel, dan iets wat verdacht veel lijkt op gefluister tegen zichzelf, en dan het geluid dat mijn dag echt begint:
Piep.
Ik glimlach nog vóór ik mijn ogen open.
De dino.
Nog een piep, gevolgd door een kort, helder lachje.
Oké. Ik ben wakker.
Ik draai me om, tast naar mijn telefoon op het nachtkastje. 06.27 uur. De wekker gaat pas over drie minuten. Te vroeg om boos te zijn, te laat om nog te doen alsof ik ga doorslapen.
Ik duw de deken van me af en ga rechtop zitten. Mijn lichaam voelt zwaar op de manier die niet meer verrassend is. Moeder-zijn, tante-zijn, alleen-zijn – het is een soort vermoeidheid die zich in laagjes opbouwt.
In de kamer naast me klinkt weer een piep, gevolgd door het droge tikken van plastic op hout.
“Ja, ja, ik kom al,” mompel ik, terwijl ik mijn haar in een slordige knot op mijn hoofd draai en een oude hoodie van de stoel gris.
Shane’s deur staat op een kier. Het licht van de gang valt in een diagonale streep over de kamer, precies over zijn peuterbed.
Hij zit rechtop, dekentje half om zich heen, zijn favoriete knuffeldino op schoot. De dino is felgroen, met net iets te grote ogen en een rond buikje. In één van de pootjes zit een piepmechanisme. Shane drukt er demonstratief op.
Piep.
Hij ziet me, en zijn hele gezicht licht op alsof iemand het lichtknopje in hem heeft omgezet.
“Mààà!” roept hij. Het ligt ergens tussen “mama” en “Paddy” in, en ik ben al op het punt dat ik het niet meer corrigeer.
“Goedemorgen, kleine draak,” zeg ik zacht.
Hij steekt zijn armen naar me uit. Dino bungelt aan één pootje, half over de rand van het bed heen. Ik til hem op, voel hoe zijn warme lijfje zich meteen tegen me aan vlijt. Zijn wangen zijn nog zacht en warm van het slapen, zijn haar alle kanten op.
Ik kus zijn kruin. “Heb je de dino alweer wakker gemaakt?”
Shane houdt de knuffel tussen ons in en drukt met overtuiging op het pootje.
Piep.
“Ja hoor,” zeg ik. “Hij is er ook al klaar voor.”
We gaan de kleine ochtendroutine in zoals we dat elke dag doen, alsof de wereld niet verder reikt dan de paar vierkante meters tussen zijn bed, de badkamer en de keuken. Als ik hem op het verschoningskussen leg, tilt hij zijn benen omhoog voordat ik erom vraag. Zijn kleine tenen wiebelen in de lucht.
“Mag Dino mee ontbijten?” vraag ik.
Zijn ogen worden groot. “Ja.”
“Oké, maar dan moet hij ook netjes aan tafel zitten.”
“Ta-fe,” herhaalt hij heel serieus. Ik knik. We hebben een deal.
In de keuken zet ik Shane in zijn kinderstoel. Hij plant de knuffeldino midden op het blad, alsof hij een ereplaats heeft. Zijn handjes trommelen op het plastic blad in een ritme dat alleen hij kent.
“Pannenkoek?” vraag ik.
“Pan!” zegt hij enthousiast. Dat is zijn stem voor: Als je nu iets anders geeft, ga ik protesteren.
Ik warm de kleine pannenkoekjes op in de pan terwijl de waterkoker aanslaat. De geur van beslag en koffie begint zich langzaam te mengen; het is een geur waar ik nooit genoeg van krijg. Als ik de pannenkoekjes op zijn bord leg, kijkt Shane ernaar alsof het een kunstwerk is.
“Eerst blazen,” zeg ik.
“Bààzen,” zegt hij, en doet een overdreven ‘fffff’-geluid, vol op zijn eten.
Ik snijd een stukje af en schuif het naar hem toe. Hij stopt het in zijn mond, kijkt me aan, en lacht met volle wangen. Dan pakt hij de dino, tikt tegen het bord.
Piep.
Ik leg mijn ellebogen op tafel en neem mijn eerste slok koffie. Het is te sterk en precies wat ik nodig heb.
Even later ligt er meer banaan op de grond dan op zijn bord. Ik ruim op met één hand en eet zelf staand een koude pannenkoek, want zitten is blijkbaar optioneel.
“Je gaat Ella zien,” zeg ik terwijl ik zijn gezicht schoonveeg met een doekje. Hij trekt een dramatisch gezicht, maar hij is te moe – of te vroeg wakker – om echt te protesteren.
“Ej-ja,” zegt hij tevreden. Zijn favoriete leidster.
“Ja, Ella.”
Hij klampt zich vast aan zijn dino terwijl ik hem in zijn jas wurm. Hij wil zelf zijn rits dichtdoen, en ik heb geleerd daar geduld voor te hebben. Na drie pogingen en lichte frustratie van zijn kant, help ik hem het laatste stukje.
“Ta-da,” zeg ik.
“Ta!” zegt hij, en klapt in zijn handen. De dino glijdt half uit zijn arm, maar hij grijpt hem net op tijd weer.
We dalen de trap af, ik met mijn tas, hij met zijn mini-rugzakje (dino-print, natuurlijk) op zijn rug. De ochtendlucht buiten is fris maar niet ijskoud, een grijze New Yorkse lucht die belooft dat de dag gewoon… normaal wordt.
Normaal is goed.
Hij huppelt kleine, onzekere pasjes naast me terwijl we de straat oversteken. Bij de opvang rent hij ineens vooruit, alsof hij een onzichtbare finishlijn over wil. Zijn rugzakje stuitert.
Aan de deur verschijnt Ella al. “Kijk nou eens wie we hier hebben,” zegt ze, haar armen al uitgestrekt.
Shane stopt abrupt, draait zich nog één keer naar mij om, en dan in haar richting. Het is altijd dat ene kleine moment – alsof hij checkt of ik er nog ben, of ik niet verdamp als hij naar haar toe rent.
“Ik ben er vanmiddag,” zeg ik.
Hij hoeft het niet te begrijpen. Hij moet het gewoon horen.
Ella neemt hem van me over. Hij drukt zijn dino nog even tegen mijn kin, een soort baby-groet, en dan is hij weg. Binnen. In zijn wereld van verf, blokken en andere kinderen.
Ik blijf een paar tellen langer in de deuropening staan dan nodig is.
“Tot straks, Shaney,” fluister ik.
Dan draai ik me om en ga richting metro.
Lucent Corp. is alles wat de opvang niet is: glas, staal, gecontroleerde chaos. Het gebouw torent boven de straat uit als een spiegel waar de lucht tegenaan botst. Binnen staan mensen in nette pakken met hun telefoons aan hun oor, alsof ze vergeten zijn dat er ook zoiets bestaat als stilte.
Ik swipe mijn badge langs het toegangspoortje en loop naar de liften. De gedachte aan afgesloten ruimtes trekt heel even mijn borst strak, zoals altijd, maar de routine wint. Ik concentreer me op mijn ademhaling. In. Uit. Er gebeurt niets. Dit is niet toen. Dit is nu.
Op de 27e verdieping schuiven de deuren open.
Welkom in het rijk van de Kingsleys.
Mijn bureau staat precies op de grens tussen hun kantoren en de rest van de verdieping. Niet onbedoeld: Personal assistant betekent letterlijk dat ik het menselijk filter ben tussen “dit kan wachten” en “dit moet nu”.
Ik hang mijn jas op, zet mijn tas naast mijn stoel en start mijn computer op. Het eerste wat ik zie als het scherm tot leven komt, is mijn achtergrond: een foto van Shane met zijn dino in zijn armen, zijn haar wild, zijn lach vol tanden en ruimte. Het trekt de hoekjes van mijn mond automatisch omhoog.
“Goedemorgen, Paddy,” zegt iemand achter me.
Ik kijk op. Thomas steekt zijn hand al in de lucht alsof hij wil high-fiven met de dag. “Je ziet eruit alsof je wel een liter koffie kunt gebruiken.”
“Maak daar maar anderhalf van,” zeg ik.
Hij grijnst en loopt door.
Ik open mijn mail.
Negentien nieuwe berichten.
Dat is minder dan gisteren. De winst moet je soms klein zoeken.
Vier van Lucas.
Drie van Ryan.
De rest van mensen die ergens in het systeem hebben opgeslagen dat ik de kortste route naar een antwoord ben.
Ik scan snel door onderwerpregels. Lucas heeft “nog heel even een kleine aanpassing” in de presentatie van vanmiddag. Dat betekent: alles opnieuw opmaken. Ryan wil zijn bespreking van tien uur verplaatst naar half elf, omdat hij een call heeft met Sydney. Dat betekent drie andere afspraken doorschuiven en één iemand teleurstellen.
“Paddy?”
Ik hoef mijn hoofd niet op te tillen om te weten wie dat is. De stem van Lucas Dexter heeft iets dat altijd net iets te helder klinkt voor een kantooromgeving.
Ik kijk toch op. Hij staat al bij mijn bureau, jasje open, das losjes. Alsof hij in een reclame voor zijn eigen leven speelt.
“Heb je die nieuwe versie van de slides?”
“Al verstuurd naar je mail,” zeg ik. “Versie ‘definitief-3’.”
Hij zucht overdreven. “We weten allebei dat ‘definitief’ hier niets betekent.”
“Dat is waar,” geef ik toe. “Maar het houdt de illusie in stand.”
Hij knikt bedachtzaam. “Illusie is essentieel.” Dan glimlacht hij. “Je bent een held.”
Ik richt mijn aandacht weer op het scherm. “Meer heldenwerk op de planning?”
“Waarschijnlijk,” zegt hij luchtig, en verdwijnt richting de vergaderruimte.
Nog geen vijf minuten later hoor ik de herkenbare, rustigere stap van Ryan. Hij draagt zijn verantwoordelijkheid als een op maat gemaakt pak: het staat hem goed, maar je ziet dat het zwaar is.
“Goedemorgen,” zegt hij.
“Goedemorgen,” antwoord ik. “Je agenda is bijgewerkt. Je call met Sydney is verzet naar half tien. Ik heb je meeting met Legal naar morgen geschoven en de lunch met de board blijft deels, maar jij schuift een half uur later aan.”
Hij kijkt me een seconde aan, dan naar de papieren die ik hem aanreik.
“Perfect. Dank je, Paddy.”
Meer is er nooit nodig.
Ryan is niet iemand van overbodige woorden.
Toch laat hij zijn hand even op het mapje rusten, alsof hij wil zeggen: Ik zie hoeveel je doet. Of misschien zie ik dat er gewoon graag in.
De ochtend gaat sneller dan ik kan bijhouden. Calls doorverbinden. Notities uitwerken. Mails filteren. Een onverwachte wijziging in een contract, een leverancier die boos is, twee mensen die dubbel geboekt zijn in dezelfde vergaderruimte. Ik schuif, leg uit, los op. Tussendoor check ik één keer de opvang-app.
Foto van Shane.
Verf overal.
Een groene vlek op zijn wang.
Dino op de achtergrond, ook onder de verf.
Ik glimlach zo breed dat Thomas vraagt of ik promotie heb gekregen.
“Beter,” zeg ik. “Hij is blij.”
Net na de lunch, terwijl ik Ryan’s call afscherm voor iemand die denkt dat “heel even” genoeg reden is om dwars door zijn planning heen te beuken, gaat mijn mobiele telefoon.
Niet die op mijn bureau.
Die in mijn tas.
Het nummer staat in mijn geheugen gebrand.
Mijn maag trekt samen.
Ik neem op. “Met Paddy.”
“Hey, eh… Padd.” De stem is herkenbaar en toch altijd net een fractie te nonchalant. Nate.
Mijn vingers klemmen iets steviger om het toestel. “Hé.”
“Luister,” begint hij. En ik weet al genoeg. Hij begint altijd met ‘luister’ als hij iets gaat afzeggen. “Dit weekend gaat toch niet lukken. Werk is… ja, je weet wel. Druk. Maar ik kom volgende week wel langs, goed?”
Ik kijk naar het scherm van mijn computer. De cijfers, de tekst, alles wordt een beetje vaag. “Volgende week,” herhaal ik.
“Ja. Volgende week. Ik laat het je weten welke dag.”
“Nate, dit is…” Ik slik. “Dit is de negende keer dat je afbelt.”
Er valt een pauze aan de andere kant. Ik hoor geroezemoes op de achtergrond, glas, stemmen. Hij is niet op zijn werk. Dat weet ik zonder bewijs.
“Ja, nou ja,” zegt hij. “Je redt het toch prima zo? Hij heeft jou. En die opvang. Het komt wel goed. Volgende week, oké? Ik moet nu echt gaan.”
“Nate—”
Maar de lijn is al dood.
Ik haal het toestel langzaam van mijn oor. Voor een seconde voelt het alsof iemand de zuurstof uit de lucht heeft gezogen. Dan adem ik weer in. Uit. In. Uit.
Het is niet nieuw.
Het is alleen… nog een keer.
Ik druk mijn telefoon uit, leg hem in mijn lade en schuif die dicht.
Ik heb geen tijd om te voelen.
Niet hier.
Niet tussen deze muren.
Ik richt mijn aandacht weer op mijn scherm en typ.
Een memo.
Een mail.
Een agenda-aanpassing.
Iets wat niet dreigt uit elkaar te vallen als ik niet oplet.
Werken is makkelijker dan hopen.
Tegen het einde van de middag, als de lucht buiten langzaam verandert van blauw naar iets dat tussen grijs en goud in hangt, sluit ik mijn computer af. Ryan komt nog één keer langs mijn bureau.
“Je mag gaan,” zegt hij. “Het is vrijdag.”
“Jij ook,” antwoord ik.
Hij glimlacht kort. “We weten allebei dat dat niet gebeurt.”
Ik grinnik. “In dat geval neem ik de vrijdag dan maar voor ons allebei.”
“Doe dat,” zegt hij. Zijn blik wordt even zachter. “Fijn weekend, Paddy.”
“Jij ook.”
Ik trek mijn jas aan, hang mijn tas om mijn schouder en stap de lift in. De bekende spanning in mijn borst komt kort opzetten, maar zakt weer weg zodra de deuren opengaan en ik terug de stad in loop.
Opvang.
Shane eerst.
Altijd eerst.
Als ik binnenkom, zie ik hem meteen. Hij zit aan een lage tafel met andere kinderen, een puzzel half af voor zich, zijn dino naast hem alsof die meedoet.
“Daar is mama,” zegt Ella.
Shane kijkt op. Zijn ogen lichten op, zijn mond gaat open in een lach die alles rechtzet. Hij schuift zijn stoel zo snel naar achter dat hij bijna omvalt, en rent dan naar me toe op zijn kleine benen.
“Mààà!” roept hij.
Ik hurk, vang hem op in mijn armen. “Hé, Shaney. Heb je een leuke dag gehad?”
Hij begint druk te praten, losse woordjes, halve zinnen, zijn handen doen de helft van het werk. Ik vang er dingen uit op als “verf”, “auto”, “Anna gevallen”. Ella vult rustig aan wat ik mis.
“Hij heeft het goed gedaan vandaag,” zegt ze. “Beetje moe na de lunch, maar verder top. Zijn dino was wel bijna in de verf gevallen.” Ze knipoogt. “We hebben hem gered.”
Ik kijk naar de dino. Hij heeft inderdaad een klein groen vlekje bij zijn poot.
“Dank je,” zeg ik. “Grote heldendaad.”
Onderweg naar huis bungelt Shane aan mijn hand, dino stevig onder zijn arm. Hij springt in elke plas die hij kan vinden. Ik geef het na de derde poging op om zijn broek droog te houden.
Thuis maak ik simpel eten. Pasta met saus uit een pot, wat gehalveerde tomaten erdoor en geraspte kaas. Shane eet alsof hij de hele dag niets gehad heeft. De helft komt op de grond terecht. Ik zal later wel stofzuigen.
Na het eten gaat hij in bad. Hij wil eerst niet, dan uiteindelijk wel, en eindigt met drie badspeeltjes, nat haar en een dino die op de badrand moet toekijken of alles eerlijk verloopt.
“Water warm?” vraag ik.
“Warm,” zegt hij tevreden, terwijl hij met zijn hand over het oppervlak strijkt.
We wassen, spoelen, lachen om iets wat geen grap is maar hij schaterlacht, dus ik ook.
Daarna pyjama. Dino-print, natuurlijk. Hij rent in rondjes door de slaapkamer terwijl ik achter hem aan loop met de tandenborstel.
“Open mond,” zeg ik.
Hij doet zijn lippen stijf op elkaar en gromt als een dino.
“Jij bent de dino niet,” zeg ik. “Die is daar.” Ik wijs naar de knuffel op bed.
Hij denkt hier even over na en doet dan zijn mond open.
Klein gewonnen gevecht. Ik neem ze.
Als hij in bed ligt, de deken tot aan zijn kin, dino in zijn arm gehaakt, zet ik me op de rand.
“Boekje?”
Hij knikt. Zijn ogen zijn al zwaar.
Ik lees een kort verhaal over een trein. Halverwege bladzijde twee zijn zijn wimpers al stil, bij bladzijde drie glipt de knuffeldino langzaam een paar centimeter omlaag, zijn handje er nog net omheen.
Ik leg het boek weg en blijf nog even zitten.
Kijk naar hem.
Naar zijn rustige ademhaling.
Naar het leven dat mij houdt waar ik ben.
“Welterusten, Shaney,” fluister ik. “Ik ben hier.”
Ik doe het nachtlampje uit en trek zacht de deur dicht.
In de woonkamer is de stilte anders.
Geen telefoons.
Geen piepjes.
Geen vragen.
Alleen de koelkast die af en toe aanslaat en het zachte geluid van verkeer in de verte.
Ik zet melk op in een pannetje, strooi er cacao in en later een handje mini-marshmallows. Ze worden langzaam zacht en half doorzichtig. Ik schenk de chocolademelk in mijn favoriete mok – de enige zonder een barst – en pak de dikke, zachte deken van de leuning van de bank.
Ik nestel me in de hoek, benen onder me gevouwen, deken over mijn knieën. Het boek dat al dagen op tafel ligt, leg ik op mijn schoot en sla open op de bladzijde waar een gevouwen hoek in zit.
Ik neem een slok. De chocolademelk is zoet en warm en zwaar, precies wat ik nodig heb om de scherpe randjes van de dag af te slijpen.
Mijn gedachten dwalen kort terug naar Nate.
Naar “dit weekend gaat toch niet lukken”.
Naar “volgende week”.
Ik adem diep in, blaas langzaam uit.
Ik kan hem niet dwingen om vader te zijn.
Maar ik kan er wel voor zorgen dat Shane nooit hoeft te twijfelen of hij iemand heeft.
Ik kijk naar de foto op de kast – Shane met zijn dino in zijn armen, beide lachen richting iets buiten beeld.
“Wij redden het wel,” fluister ik, meer tegen mezelf dan tegen hem.
Ik sla een bladzijde om in mijn boek.
Buiten raast de stad verder.
Binnen is het warm, zacht, dicht.
Voor nu is het genoeg.
Voor nu is het goed.
En morgen begint alles gewoon weer opnieuw.
Met een piep.
En een lach.
En hem.
Altijd hem.